De Grote of Lebuinuskerk – eeuwenoud monument in de stad Deventer

Voor de voormalige Hervormde Gemeente Deventer en de Evangelisch Lutherse Gemeente, met de Gereformeerde Kerk Deventer verenigd in de Protestantse Gemeente te Deventer, plaats voor vieringen en bijeenkomsten.

Voor de Deventer gemeenschap en bezoekers en gebruikers van elders ook een multifunctionele ruimte, voor o.a. lezingen, congressen, concerten en feesten.

Op deze website vindt u informatie en verwijzingen voor alle gebruikers. Veel materiaal is afkomstig van de oude website van de Lebuinuskerk. Deze site werd opgezet en onderhouden door de heer E. Post. Wij zijn hem veel dank verschuldigd daarvoor.

Lebuinus of Lebuïnus? Grote of Kleine Lebuinus?:

Rond de naam en de schrijfwijze van Lebuinus en het kerkgebouw heersen verschillende opvattingen. De naam die de Protestantse Gemeente voor de kerk hanteert luidt: Grote of Lebuinuskerk.

De naam Lebuinus wordt net als in het Latijn geschreven zónder trema op de i. De uitspraak luidt echter als Lebuïnus met trema, dus niet met een ui-klank, klinkt als: Leebwinus.

In Deventer kennen we ook nog de RK Sint-Lebuinuskerk (Broederenkerk) in de Broederenstraat, soms aangeduid met ‘Kleine Lebuinus’.  Daarnaast is er de RK Lebuinusparochie met als eucharistisch centrum de H. Nicolaaskerk in Schalkhaar.

Dichteres Marianne Sorgedrager schreef het onderstaand sonnet voor de Deventer Gedichtenwedstrijd in het kader van de landelijke gedichtendag 2007:

Middeleeuwse Kathedraal

Alleen de stilte heerst in deze ruimte
waarin ik ademloos te kijken sta
na alle haast en drukte buiten
lijkt tijd hier bijna stil te staan

Hier bad men om een plaatsje in de hemel
lag krom om te ontkomen aan de hel;
hier speelde men en zong met talloos velen –
uit vrees voor echo demp ik nu mijn stem

Het schemert nog wat voor mijn ogen
tot ik de lijnen volg van het gewelf:
de zuilengang schraagt spitse bogen

die reiken naar het licht daarboven – zelf
word ik ook, geruisloos, even
door de ongekende bouwheer opgeheven

Marianne H.B. Sorgedrager-van Halewijn

De heilige Lebuinus

Onder des zoe quam uut Engelant een priester, gheheten Liafwinus, ende dese was gheboren van den olden Vriesen. Dese zende Gregorium over IJsel ende hem wort een kerke getymmert ende wort cortelike van den Zassen wederomme gebroken…

Sint Lebuinus past in de rij van Nederlandse heiligen die in het aartsbisdom Utrecht een bekende klank hebben. Onder hen heeft Willibrord de grootste faam enuitstraling. Lebuinus hoort meer bij de regionale figuren, zoals ook bijvoorbeeld Plechelmus, Ludger en Werenfridus.
Over Lebuinus zelf weten we weinig. Het belangrijkste van hem is, dat hij de eerste getuige van ons geloof is geweest in Deventer en omgeving, in Salland. Hij strooide het zaad van dat geloof aan de oevers van de IJssel en zijn werk was niet vergeefs.

Zijn naam luidde eigenlijk Liafwin, maar de kerk paste die naam aan aan haar taal: het Latijn. Liafwin betekent: lieve vriend. Het is een mooie omschrijving voor een missionaris: een lieve vriend uit Deventer. Liafwin was een Angelsaks. Hij meldde zich omstreeks 768 bij het Utrechtse bisdom om missiewerk te verrichten. Hem werd een arbeidsveld aangewezen aan de IJssel, ter hoogte van de grens tussen het onder Frankische bestuur staande bisdom Utrecht en het nog niet gekerstende gebied van de Saksers. Hij preekte er en bouwde kerkjes te Wilp en later te Deventer, een pas gestichte handelsnederzetting die tegenover Wilp strategisch aan de rivier was gelegen. Zijn activiteiten riepen uiteenlopende reacties op: vijandige, die de verwoesting van zijn Deventer kerkje bewerkstelligden, vriendschappelijke, die de herbouw mogelijk maakten.
De missionaris kon Deventer beschouwen als uitvalsbasis om het Saksische land te bewerken. Daarvoor moest hij zich manifesteren in het centrum van het territorium. Dat centrum was de centrale cultus- en vergaderplaats bij Marklo, waar de rivier de Wezer het Wezergebergte doorsnijdt, de Porta Westfalica genaamd.
Een oude levensbeschrijving verhaalt op kleurrijke wijze een spannende scène. Ondanks waarschuwingen van bevriende zijde ging Lebuinus naar de vergadering van de Saksers en nam plaats op een verhoging:
‘Hij had een vriendelijk Engels gezicht, was gekleed als een diaken en droeg een gouden kruis in zijn hand. Met een handgebaar trok hij de aandacht en begon te spreken. Sommigen wilden hem ombrengen, maar Bato, een prominente man zei:

‘Noormannen, slaven en Friezen hebben wij hier in vrede ontvangen en nadat zij het woord hadden gevoerd hebben wij ze met giften huiswaarts laten gaan. Maar nu hebben wij een bode van de Allerhoogste in ons midden, die ons een boodschap heeft gebracht over het leven en de eeuwige zaligheid. Bijna hadden we de hand aan hem geslagen. Maar Hij die hem gezonden heeft, heeft ons Zijn macht laten zien en hem ongedeerd gelaten’. Na deze terechtwijzing bonden de Saksen in en besloten hem niet meer te hinderen’.

Omstreeks 773 overleed Lebuinus in Deventer, waar hij in het door hem gebouwde en herbouwde kerkje werd begraven. Het werd het begin van een cultus waarin Liafwin verering geniet als patroon van de kerk en van de stad. Zijn gebeente kreeg een ereplaats op het hoogkoor van de opvolger van zijn kerkje, in fraaie kasten, opgesierd met de feiten en vrome verdichtsels over zijn leven. Dit betekende ook de kerkelijke erkenning als heilige: van een formeel proces tot zalig- en heiligverklaring was nog geen sprake. Zijn uitstraling in het aardse tranendal kreeg luister door de bouw van een grote Romaanse basiliek waaraan een college van kanunniken (kapittel) was verbonden (midden elfde eeuw).

Van geen van de oude geloofsverkondigers in de Lage Landen is een betrouwbare afbeelding bewaard gebleven. Toch is een traditie ontstaan om hen op een bepaalde kenmerkende wijze weer te geven. Zij zijn, zoals veel andere heiligen, veelal herkenbaar aan bepaalde attributen, aan uiterlijke kenmerken of aan hun houding. Bij Lebuinus vormt daarbij het verhaal over zijn optreden bij Marklo het uitgangspunt.
Afbeeldingen tonen hem gekleed in een dalmatiek (het klassieke gewaad van de diaken) of kazuifel (het klassieke gewaad van de priester) met in zijn ene hand een kruis (soms een klein exemplaar, soms een processiekruis met een vaantje eraan) en in de andere een boek (een open of gesloten bijbel of missaal). Omdat een heilige het licht van de Heer uitstraalt, is zijn hoofd omstraald door een nimbus (stralenkrans). Op deze wijze werd Lebuinus al in de middeleeuwen geschilderd op gewelfschelpen in de aan hem toegewijde kerk te Deventer en in de door Dominicanen gebouwde Broederenkerk in de nauw met Deventer verbonden stad Zwolle. Zo ook komt hij voor in oude drukken die in de boekenstad Deventer al spoedig na het uitvinden van de boekdrukkunst van de persen rollen.

Toen de belangstelling voor katholieke kerkgeschiedenis in de achttiende eeuw sterk toenam, leidde dat tot de publikatie door Hugo van Rijn van het werk Batavia Sacra (1714). Daarin zijn prenten van twaalf Nederlandse heiligen opgenomen, waaronder die van Lebuinus. De vernieuwde kerkelijke kunst van de negentiende eeuw toonde eveneens veel interesse voor Nederlandse heiligen. Het Roermondse atelier van Cuypers en Stoltzenberg leverde in 1856 een Lebuinusbeeld, dat opnieuw naar het klassieke patroon was vormgegeven. Dezelfde afbeelding keert terug op een kazuifel (ongeveer 1860). Het aardige bij al deze pogingen tot afbeelding is, dat steeds de mode van de tijd is gevolgd. Vooral in de kleding is dat goed te merken: Lebuinus in achtereenvolgens laat middeleeuwse, barokke en neogotische uitmonstering.

De geschiedenis laat zien, dat de geloofsgemeenschap op verschillende manieren met de gedachtenis van een lokale heilige omgaat. Tot aan de hervorming was Lebuinus het middelpunt van bedevaarten naar Deventer. Zijn sterfdag (12 november) was een feestdag die in de liturgie in het gehele bisdom werd gevierd. Te Deventer was het bovendien een vrije dag, waarop de stedelingen zich konden vergapen aan een luisterrijke liturgie in de kapittelkerk, een processie trok met de relieken door de stad en er werden promenadeconcerten op het orgel gegeven. Na de reformatie verdween alle uitbundigheid uit het openbaar kerkelijk leven, dat beheerst werd door het calvinisme. Kanunniken en hun familieleden bewaarden de relieken. Toen in 1803 de middeleeuwse Broederenkerk (van minderbroeders van de Franciscanen) in gebruik kwam bij de katholieke gemeenschap, kwam de verering van Lebuinus daar weer tot uitdrukking. Bij de oprichting van de parochie (1854) werd de kerk aan Lebuinus toegewijd. De relieken, in 1891 gevat in een verguld koperen schrijn uit het atelier van J.H. Brom (Utrecht), nemen er een ereplaats in. Zo komt het dat Deventer twee Lebuïnuskerken heeft: de oude kapittelkerk (thans van de Samen-op-weg gemeente) en de Broederenkerk (thans van de katholieke parochie). Telkenjare op de zondag van of na twaalf november viert de parochie haar patroonsfeest.

Naar Clemens Hogenstijn

Vermoedelijk is de Mariakerk ontstaan aan het eind van de dertiende, begin veertiende eeuw. Het was een parochiekerk Zij was dus bestemd voor de burgerij en werd beheerd door de Magistraat (bestuur) van de stad.
De Lebuinuskerk, er direct naast, was in eerste instantie een kapittelkerk. Zij was voornamelijk toegankelijk was voor de kanunniken van het kapittel en de bisschop.
De Mariakerk was dus een zelfstandige kerk naast de Lebuinuskerk.

De Mariakerk met Heilige Maegdenhuisjes
Voor zover bekend is nergens in Nederland een zelfde vergelijkbare verstrengeling van twee kerken te vinden als hier het geval is. Het onvoltooide westwerk van de Lebuinuskerk bevindt zich gedeeltelijk in de zuiderzijbeuk van de Mariakerk.
De machtsstrijd tussen de kerkelijke macht (vertegenwoordigd door de Lebuinuskerk) en de wereldlijke macht (vertegenwoordigd door de Mariakerk) is hier tot op de laatste centimeter uitgevochten.

Waarom heeft men de Mariakerk juist op deze merkwaardige plaats zo dicht op de Lebuinuskerk gebouwd? Misschien had het te maken met de stroom van de rivier de IJssel en was dit het laatste stukje hoge droge grond dat beschikbaar was. Ook is het mogelijk dat de kerk oorspronkelijk bedoeld was als een soort kapel bij de Lebuinuskerk en dat zij pas later tot zelfstandige kerk is uitgegroeid. Of staat misschien de Mariakerk op de plaats van de alleroudste kerkjes van Lebuinus en is wat er nu te zien valt een vervanging van de vroegere Lebuinuskerk? Onder de huidige Lebuinuskerk is nooit een oudere kerk dan de Romaanse gevonden en onder de Mariakerk is nog nooit een opgraving gedaan. Dit laatste zou betekenen dat in oorsprong de Mariakerk zelfs ouder is dan de Lebuinuskerk! Het blijven helaas vragen.

Wat we nu aantreffen van de Mariakerk is feitelijk niet meer dan een ruïne. We komen binnen door een poort met open slaande houten deuren vanaf de straat van de Nieuwe markt naar het Grote Kerkhof. We bevinden ons dan in het dakloze schip van de kerk dat zich nu aan ons presenteert als de begroeide binnenplaats. Rechts hiervan (grenzend aan het Grote Kerkhof) bevindt zich het enige nog overdekte gedeelte: de zuiderzijbeuk (met de later daarin aangebrachte verdiepingsvloer, zoldervloer en trappen). Aan de linkerzijde zijn op de plaats waar zich voeger de noorderzijbeuk bevond huizen tegen het schip aangebouwd.

Op de hoek van de Nieuwe Markt en de toegang tot het grote Kerkhof bevindt zich nog een hoog opgaande topgevel. Dit is een overblijfsel van de Sacramentskapel die bij de Mariakerk hoorde en dwars op het schip gebouwd was. Het gedeelte dat aansloot op het schip is in 1891 door brand verwoest en vervangen door het huidige pandje. In het geheel is nu het restaurant ’t Arsenaal gevestigd.

Bouwgeschiedenis van de Mariakerk
De kerk werd aanvankelijk gebouwd in de vorm van een basiliek: een hoog schip met twee smalle lage aangekapte zijbeuken. Het schip had waarschijnlijk de huidige hoogte van de muren (14 m) met direct daarop de kap. De eerste twee traveeën hebben een afwijkende vorm en maat. Het is mogelijk, dat er sprake was van een soort westtransept. Ook de laatste traveeën zijn anders, maar dat had te maken met de nabijheid van het Bisschopshof en met de plaats van het (verhoogde) koor in de Mariakerk. In eerste instantie stond de Mariakerk los van de Lebuinuskerk (zeker de zijbeuk) en is zij hier later (begin zestiende eeuw) pas tegenaan gegroeid. In het begin van de vijftiende eeuw (tussen 1400 en 1458) is er flink verbouwd aan de Mariakerk. Vermoedelijk werd toen het schip verhoogd. In diezelfde tijd (1454-1459) wordt ook de Lebuinuskerk van een gotische zuidgevel voorzien en wordt zij een gotische hallenkerk (d.w.z. dat het schip en de beide zijbeuken allemaal even hoog zijn). Misschien had men dezelfde plannen voor de Mariakerk?

Ondertussen werd de Lebuinuskerk grondig gewijzigd. Aan de westzijde (waar de Mariakerk staat) begon men in 1459 met de bouw van een nieuwe zuidertoren. Dit duurde tot 1470; toen werd de toren nog versterkt met een steunbeer. In 1486 begint men vervolgens met de bouw van een noordertoren. De twee zuidelijke pijlers daarvan zijn nog te zien in het interieur van de zuiderzijbeuk van de Mariakerk. Verder dan deze aanzet tot de tweede toren is men nooit gekomen. In 1500 besluit men om geen tweede toren meer te bouwen.

Het kapittel wilde twee torens als machtssymbool tegenover de enkele toren van Utrecht. Maar een dubbeltorenfront is dan al lang “uit de mode” en de stad (magistraat) die de kerkmeesters en het organisatorische voor alle verbouwingen levert heeft helemaal geen behoefte meer aan twee torens. Liever één hogere als statussymbool voor Deventer (en voor talloze wereldlijke functies) dan twee kleinere.

De Mariakerk, nog los van de Lebuinuskerk, met de Sacraments Kapel en de Bisschoppelijke Palts, tekening van A.H.J. Meijer:mariakerk
De Maria- en de Lebuinuskerk stonden toen nog niet tegen elkaar aan. Pas toen men besloot om geen tweede toren te bouwen heeft men de zuiderzijbeuk van de Mariakerk verbreed en doorgetrokken tot aan de Lebuinuskerk. (1511-1516). Nu kwamen de zuiderzijbeuk van de Mariakerk en de noorderzijbeuk van de Lebuinuskerk in elkaars verlengde te liggen. Er ontstond toen ook een doorgang van de ene kerk naar de andere die ondermeer gebruikt werd tijdens processies. In 1993 is deze doorgang, na eeuwen dichtgemetseld te zijn geweest, weer opnieuw in gebruik genomen.

De huidige kap op de zijbeuk dateert van omstreeks 1520. In eerste instantie was dit echter een volledig zadeldak met een topgevel naar de straat. Pas in de zestiende eeuw verdween de topgevel en is er een schild aan de westzijde op gemaakt.

Waarschijnlijk had men aanvankelijk plannen om van de Mariakerk ook een hallenkerk te maken, net als de Lebuinus kerk. Een brok metselwerk, dat boven de zuidgevel van de Mariakerk uitsteekt op de overgang van de zijbeuk van de Mariakerk naar het westwerk van de Lebuinuskerk getuigt nog van deze plannen. Maar zover is het nooit gekomen, het schip bleef veel hoger dan de zijbeuk.

De verbrede zijbeuk van de Mariakerk kreeg een zeer fraaie gotische zuidgevel, sterk gelijkend op die van de Lebuinus. Men wilde van deze wand van het Grote Kerkhof een ‘Schauseite’ maken.

Op dit moment zijn de traceringen in de ramen van de Maria kerk (nog de oorspronkelijke!) zelfs ouder dan die van de Lebuinuskerk, aangezien de laatste bij de restauratie (1958) geheel vernieuwd zijn. Ook kreeg de zijbeuk gewelven. De sporen van de aanzetten van de gewelven op de muren zijn nog goed te zien op de verdieping van de zijbeuk van de Mariakerk. De zijbeuk had twee uitgangen. Eén naar de westzijde: deze is nog steeds zichtbaar in het kleine pandje dat aan de straat zijde tegen de kerk is aangebouwd en dat volgens het gotische opschrift dateert uit 1519.

Ook was er een uitgang in de zuidgevel naar het Grote Kerkhof. Deze is op dit moment alleen nog zichtbaar in het interieur van de zijbeuk: onder het verhoogde raam dat zich in de zuidgevel bevindt treft men nog sporen aan in het pleister werk van een doorgang.

Tegen de zuidgevel aan het Grote Kerkhof werden in de eerste helft van de zestiende eeuw de kleine huisjes gebouwd die er nu nog te zien zijn: de Heilige Maegdenhuisjes. Hier woonden bejaarde vrijsters of weduwen die zorgden voor de versiering (en de stoofjes) van de kerk.

Einde van de Mariakerk tot heden
In 1578 belegerde Rennenberg Deventer. Hij veroverde de stad en de Reformatie volgde. De Calvinisten werden nu de baas. Men had hierna te veel kerken en de Mariakerk, zo vlak naast de veel grotere Lebuinuskerk was overbodig geworden. In 1591 werd de Mariakerk definitief aan de eredienst onttrokken. Men overwoog sloop, maar zoals de huidige resten kunnen getuigen, is men gelukkig nooit zover gekomen. Wel is vrij snel het dak van het schip verwijderd en zijn de gewelven van de hele kerk gesloopt. De noorderzijbeuk is afgebroken in 1612, waarna in 1623 de Hofstraat is aangelegd en er huizen tegen de binnenplaats werden aangebouwd. De zuiderzijbeuk is in 1647 als arsenaal in gebruik genomen. Er werd een vloer in aangebracht, evenals takels en trappen. Van de Sacramentskapel werden twee huizen gemaakt. In 1891 brandde een gedeelte van de voormalige Sacramentskapel af en werd het pandje gebouwd dat nu aan de straatzijde tegen het schip aan staat.

Na 1955 is het een tijdje in gebruik geweest door de brandweer, daarna als opslagplaats en tenslotte stond het overdekte gedeelte zelfs lange tijd leeg. Het complex is nu in eigendom van de gemeente Deventer en wordt geëxploiteerd door de Stichting Mariakerk.

Een portaal in de muur aan de oostzijde van de zuidbeuk van de Mariakerk verschafte toegang tot de noordbeuk van de Lebuinus. Deze doorgang is eeuwenlang gesloten geweest, maar sinds 1994 weer geopend. In vroeger tijden was deze doorgang noodzakelijk, onder meer vanwege de doopvont die zijn oude plaats in het westwerk van de Lebuinuskerk had behouden. Daarnaast stonden er in de laat-middeleeuwse kerk diverse altaren die door stedelijke broederschappen of door particuliere burgers waren gesticht. De Schepenen en de Raden van de stad hadden er zelfs een eigen kapel, de raads- of magistraatskapel. Voor de mis op zondagochtend moest men echter in de Mariakerk (Onze-Lieve-Vrouwekerk) zijn.

Na 1245 komt Maria niet meer voor als patroon van de Lebuinuskerk (Kapittelkerk), doch uitsluitend nog als patroon van de Onze-Lieve-Vrouwekerk (Parochiekerk).

Afmetingen Mariakerk
Schip: 9 x 37 meter.
Hoogte huidige muurwerk: 14 meter.
Oorspronkelijke hoogte van het muurwerk waarschijnlijk: 21 meter.
Oorspronkelijke hoogte van de nok waarschijnlijk: 28 meter.
(Zuider) zijbeuk: 9 x 37 meter.
Verdiepingsvloer op 7 meter.
Zoldervloer op 13,2 meter.
Nok op 21,5 meter.
Informatie afkomstig van http://home.wanadoo.nl/lebuinus/mainframe/mainframe.html, de oude website van de heer Post.

Holtgräve orgel
In 1836-1839 bouwde Johann Heinrich Holtgräve (1798-1844) te Deventer het tegenwoordige orgel in neo-renaissance stijl. Hij nam daarbij vele delen (waaronder diverse registers en de volledige windvoorziening) over uit het voorgaande orgel, dat dateerde uit de 16e eeuw.

De geschiedenis van het instrument reikt terug tot de tijd waarin Jan Pz. Sweelinck’s grootvader en oom als organisten aan de Lebuinuskerk waren verbonden. Maar over de veranderingen die het orgel in de eerste eeuwen heeft ondergaan weten we lang niet alles. Bekend zijn de herstelwerkzaamheden in 1616 van Jan Morlet II uit Arnhem. Bij deze (en andere) gelegenheid werd Jan Pz. Sweelinck als visitator betrokken. Het orgel is in 1616 naar de noordzijde van de kerk verplaatst. In 1664 werd een nieuwe kast voor het orgel gemaakt en was Jan Smit(s), die van 1663 tot 1667 te Deventer woonde, bij de bouw van het orgel betrokken. Helaas zijn er geen gegevens bekend van de grote vernieuwing die Frans Caspar Schnitger in 1720-22 uitvoerde. Er is geen contract bewaard gebleven. Op 2 september 1720 besloot de magistraat, na lezing van ‘de bestekken der reparatie van ’t orgel in de Groote Kercke, overgegeven door den orgelmaker Snitger’ om ‘te accorderen over het concept, waerin mede de Vox Humana begreepen is.’ Schnitger plaatste in de orgelkast uit 1665 een orgel met drie manualen en aangehangen pedaal.

Holtgräve deed in 1835 uitvoerige onderzoekingen in het orgel van de Grote Kerk en hij had de grootst mogelijke waardering voor het historisch materiaal en de constructie. Zijn uitvoerig bestek ging uit van een orgel van 62 stemmen! De kerkvoogden vroegen aan de fa. Bätz en Co. om commentaar op dit bestek, hetgeen uitvoerig is geschied. Het gehele plan van Holtgräve vond Bätz te breedsprakig en te verward en hij maakte een bestek voor een nieuw orgel, uitgaande van 45 stemmen.

Holtgräve tekende in voor 9890 guldens. Hij was daarmee goedkoper dan concurrent en stadgenoot Naber en verkreeg derhalve de opdracht. Op 18 augustus 1839 is het werk gereed en de keurmeesters stelden vol bewondering vast dat ‘dit werk onder de fraaiste orgels in ons land genoemd mag worden.’ Helaas hebben enkele grote ingrepen het instrument daarna ernstig beschadigd. In de jaren 1890-92 werden de blaasbalgen en windladen door P. van Oeckelen en Zn. hersteld. Voor het problematische regeerwerk wist deze orgelmaker evenwel geen oplossing te vinden (de toetstractuur is tot op de huidige dag problematisch gebleven). Ook veranderde Van Oeckelen de oude orgelklank ingrijpend. De oude kamertoon werd op moderne toonhoogte gebracht en alle tongwerken van Schnitger en Holtgräve werden vervangen of vernieuwd.

In de jaren 1972-1975 werd het orgel grondig gerestaureerd naar de situatie van 1839 door de fa. Flentrop, onder adviseurschap van Dr. Vente. Teneinde de klankkleur van 1839 te kunnen herstellen kreeg het orgel negen nieuwe tongwerken (kopieën van Schnitger-tongwerken uit Alkmaar) en werd de oude windvoorziening weer in gebruik genomen en de dispositie gereconstrueerd. In de 90-er jaren werd door zorgvuldige herintonatie de oude klankleur zoveel mogelijk hersteld. Het instrument telt 45 registers, verdeeld over 3 manualen en pedaal. 17 stemmen dateren (grotendeels) uit 1722. Het orgel draagt de weerklank van de late barok. Holtgräve zocht hier bewust aansluiting bij Franz Caspar Schnitger en verwerkte veel van diens pijpwerk.

Koororgel
Het koororgel, gebouwd door de Fa. Van Leeuwen en Zn. te Leiderdorp, werd in 1942 geschonken door de heer D.L. Ankersmit. Door de oorlogsjaren kon het instrument pas in 1950 in gebruik worden genomen. In de orgelkast werd veel hout verwerkt van gebombardeerde huizen in Deventer.

Het orgel is electro-pneumatisch. De recent gerestaureerde speeltafel bevindt zich op het hoogkoor. Het wordt voornamelijk gebruikt bij erediensten die op het koor worden gehouden. Dit zijn o.a. avonddiensten, cantatediensten en huwelijksinzegening.

Het kistorgel
Een kistorgel is gemaakt volgens de eeuwen oude principes van het kerkorgel, maar dan heel compact gebouwd met als regel maartwee of drie rijen pijpen (registers), die men met een registerknop kan inschakelen of uitschakelen. Een kistorgel heeft ook een kleine windmachine, een klein balgje, een windlade waar de pijpen op staan, tussen de 100 en 250 pijpen van uiterst klein tot bijna een meter groot en uiteraard een toetsenbord, om het orgel te kunnen bespelen. De pijpen zijn meestal van hout gemaakt (zoals in ons geval) maar er zijn ook kistorgels met metalen pijpen. Een kistorgel is aldus een compleet en eenvoudig verplaatsbaar klein kerkorgel. Het kan op iedere plek in de kerk worden opgesteld en was vanuit de historie gedacht het instrument bij uitstek om met zangers en instrumentalisten in de eredienst samen te werken. 

Al sinds de jaren zestig van de vorige eeuw is de fa. Klop in Garderen gespecialiseerd bouwer van klavecimbels, kistorgels, studieorgels en kerkorgels. Het was in die tijd dat de historisch verantwoorde wijze van uitvoeren van barokmuziek hernieuwd de aandacht kreeg. Vader Gerrit Klop zag de uitdaging en vanaf 1961 heeft hij zich dan ook ontwikkeld tot een professionele bouwer van toetsinstrumenten op historische basis. De naam Klop is in de jaren daarna wereldwijd een begrip geworden,synoniem voor ambachtelijke instrumenten, vakmanschap en betrouwbaarheid. Synoniem ook voor authentieke klankkleur, duurzaamheid en technische perfectie. Deze traditie wordt sinds 1995 voortgezet door zoon Henk Klop, samen met een tiental gemotiveerde medewerkers. De orgels en klavecimbels worden door de firma nauwgezet gebouwd naar historische voorbeelden. Vakmanschap en ambacht tot in de details kenmerken het werk. Toch is er nog ruimte voor persoonlijke inbreng. En dat was ook nodig, gezien de specifieke situatie in de Grote Kerk. Ingaande op voorstellen van Jan Kleinbussink heeft Henk Klop in nauwe samenwerking een kistorgel ontwikkeld, dat de eerste kan zijn in een nieuwe reeks. Het orgel kreeg aparte registers voor het spelen van continuo-partijen bij zangers en instrumentalisten alsmede een speciaal prestantregister voor koor- en ook gemeentezang-begeleiding. Daardoor is het instrument qua afmeting ook iets groter dan het standaard kistorgel. Daarnaast was er nog een complicerende factor: de toonhoogte van beide orgels in de Grote Kerk (hoofdorgel en daarvan afgeleid: het koororgel) is aan het einde van de 19de eeuw door het afsnijden van duizenden pijpen en pijpjes zodanig gewijzigd, dat de basistoonhoogte, gerekend naar de huidige muziekpraktijk, nu veel te hoog staat afgesteld. De huidige orgels kunnen dan ook nooit samenspelen met een orkest of met een piano, hoe jammer dat ook is. Voor het nieuwe kistorgel was er dus de keuze: of qua toonhoogte afstemmen op de eisen van de tijd met alle mogelijkheden van dien maar dan niet samen kunnen spelen met de bestaande orgels in de kerk, of omgekeerd, afstemmen op de orgels en verder niks. Een compromis bleek echter ook mogelijk: doordat het orgel twee basisregisters heeft gekregen (twee zogenaamde 8-voets registers) kan nu beide en zelfs in directe afwisseling. Eenvoudig uitgedrukt: men kan nu het ene register afstemmen op piano- en instrumentenhoogte en het andere op de stemming van beide orgels. Ook dit was nieuw voor de fa. Klop en betekende dat er niet één rij pijpen in volledige lengte in het kistje geplaatst moesten worden, maar twee! Daarom moest het orgel ook wel iets groter worden. Losse pijpen buiten het orgel waren immers zeer ongewenst, in verband met vervuiling of mogelijke vernieling. 
Op zondag 18 januari 2009 is het nieuwe kistorgel aan de gemeente gepresenteerd.